Deel uit het eindwerk van Jolijn en Katrien Leen tot het behalen van het secundair diploma in het college van Kapelle op den Bos.

 

Het Norbertinesseklooster van Leliëndaal

(Hombeek in oude prentkaarten door Firmin Verlinden, blz.10)

 

1. Klooster Van Leliendael

 

1.1. Vestiging en bloei

 

In 1233 kwamen 18 nonnen uit het Norbertinessenklooster van Gempe (St. Joris-Winge) naar Hombeek. Pastoor Lambertus van Nosseghem had hun een stuk grond geschonken waarop het klooster gebouwd werd.

Volgens de legende werd de plaats van het klooster bepaald door achttien vogels, die daar zeven maal per dag kwamen zingen. Eens vond men deze plaats omspannen met een rode, zijden draad. Verder verhaalt men dat het getal nonnen de achttien niet mocht overtreffen, anders zouden de proost en de priorin binnen hetzelfde jaar sterven. Hoewel dergelijke legenden vaak het ontstaan van een kerk sieren, is het toch een feit dat het klooster opgericht werd aan de Zenneovergang van de oude heirbaan Asse-Kapelle-Hombeek-Mechelen. Deze baan kruiste daar eveneens de oude zogenaamde Zennebaan.

 

De bezittingen van het klooster groeiden al snel aan door dotaties en aankopen. Leliëndaal bezat in Hombeek, buiten het klooster zelf en de molen, ook nog drie pachthoven. Een eerste pachthof was het Hof ter Schommen (in de Schoorstraat) dat kort na de stichting in 1250 door Hendrik III geschonken werd. Ter Most in de Larestraat kwam slechts in 1480 in het bezit van Leliëndaal. Gedurende honderd jaar zal de proost er verblijven. Nadien werd het een gewoon pachthof, dat in de vroege jaren 50 werd afgebroken. Een derde pachthof bezat Leliëndaal tenslotte in de onmiddelijke omgeving van het klooster (tegen de Zenneweg). Het bestond nog minstens tot het midden van de 19e eeuw.

Bovendien bezaten ze ook nog pachthoven in de omliggende gemeenten o.m. in Leest en Tisselt.

 

Al vlug ging hun invloed op het parochieleven ook vergroten (vraag naar altaarrecht) wat bij de pastoor en de abdij van Kortenberg in het verkeerde keelgat schoot. Hierop volgde een twintig jaar durende kerktwist tussen pastoor en klooster. Met perioden waren er dan nog tienden- en grensbetwistingen tot aan de Franse Revolutie, maar dit was ook in andere parochies het geval.

De kloosterlingen hebben zich in die 350 jaar van hun bestaan in Hombeek weten te verrijken tot de belangrijkste grootgrondbezitters van de gemeente.

 

Hof Ter Most

(bijdragen tot de Hombeekse geschiedenis, Nr.6 van HOEMBEKANIA, blz.11)

 

1.2. Godsdienstverval

 

Einde 15e eeuw, begin 16e eeuw werd het moreel van de kerkelijke gezagsdragers aangetast door hun rijkelijke leven. Het contrast met de arme burgerbevolking die de clerus zwaar betaalde voor goddelijke diensten en voor de gekochte verzekering op een beter leven in het hiernamaals (aflaten e.d.) was zeer groot. Dat was niet alleen zo bij de parochiepriesters en onderpastoors, ook bij de kloosterlingen was het niet veel beter. De generaal van Prémontré, die het wel goed meende met het geloof, spoorde de zusters van Leliëndaal in 1532 aan de kloosterregel beter te onderhouden.